Een bijdrage van: Willem Jan Otten

Chesterton wil vinden, niet construeren. Hij stuit op onloochenbaar besef, niet op bewijsbare stellingen. Het ‘wie wat vindt heeft slecht gezocht’, dat Nederlandse literatoren in diepzinnig poëzieboeddhisme doet vervallen, zou hem tot een grinnikend alineaatje hebben aangezet. Hij was een vinder, die bleef zoeken naar wat hij aangetroffen had. Waarom is dit aanstootgevend? Omdat Chesterton je het pijnlijkste doet realiseren: het is niet waar dat je je leven aan je zelf te danken hebt. Je kunt je eerste gedachte niet eens zelf bedenken, die overkomt je! Chesterton spoort je aan om te erkennen dat er altijd ‘iets’ aan je vooruit is gegaan, zoals er aan een zeepbel die aan komt drijven altijd een zuchtje wind vooruit is gegaan. Het is, zegt hij in andere bewoordingen, je plicht om een uitnemende, rationele en vooral enthousiaste zeepbel te zijn. Maar het plan waarbinnen je zeepbel hebt kunnen worden zal nooit het jouwe zijn. En hij demonstreert keer op keer hoe parmantig en futiel en vooral: ijdeltuiterig en opgeblazen de pogingen van humanistische modernisten zijn om zichzelf tot autonome, van Alle Wind en Ademtocht losgezongen zelfgewilde Überbellen om te denken. Welbeschouwd komt de moderne wijsbegeerte hier op neer – als het niet op het diametraal omgekeerde neerkomt: dat zij aantoont dat zeepbellen niets zijn, lukrake, zinloze verzamelingen moleculen.

Er is, betoogt hij in Orthodoxie, niets wat het waaien van de geest door het fysisch volmaakt analyseerbaar organisme genaamd mens verklaart. Met welk materialistisch, wetenschappelijk denksysteem we de menselijke diersoort ook doorgronden, de geest waaide al voordat hij zichzelf begon te fileren, en dat is een mysterie. Het is niet te bevatten dat ik mezelf tracht te bevatten. En hoezeer ik mezelf ook bevat als door volslagen mechanische wetten gedetermineerd – dat ik dit bevatten wil, maakt mij tot iets anders dan ik bevat. Wat? Chesterton aarzelt niet om het beest bij zijn naam te noemen: de man die Gods wil deed door zijn leven te geven, deed precies datgene wat Chesterton nooit had kunnen bedenken, en is dus God.

Chesterton staat hier ongeneeslijk paf van. Dat is zijn godsbewijs. Voor hem is doodzonde nummer één: niet paf genoeg staan. In geen wonder meer kunnen geloven. Hij beseft op alle pagina’s dat hij op dit punt vecht tegen een bierkaai. Hij houdt van Don Quichote, die in molens reuzen ziet, alleen zelf ziet hij juist in molens molens, ‘en dat is het wonder’ . Het al genoemde vierde hoofdstuk van Orthodoxie, ‘De ethiek van elfenland’, gaat geheel en al over paf staan, en is ongetwijfeld een van de aanstekelijkste essays van de hele vorige eeuw. Aan een wereld vol sceptici en materialisten die op hun best vertederd glimlachen om sprookjes legt Chesterton manhaftig uit dat we ons moeten laten opvoeden door het aartsprincipe van ieder sprookje: dat we bestaan omdat we iets niet mogen. ‘Het visioen hangt altijd aan een veto. Alle buitengewone dingen die men (in een sprookje) beloofd krijgt, worden door een kleinigheid achtergehouden.’ En: ‘In het sprookje hangt een onbegrijpelijk geluk af van een onbegrijpelijke voorwaarde.’ In enkele adembenemende pagina’s doet Chesterton uit de doeken hoe deze wetmatigheid van de allereerste vertellingen die we in ons leven te horen krijgen ons in feite ongeneeslijk  godsdienstig maken. ‘Het geluk hangt af (net als in sprookjes) van iets nalaten dat je op elk moment kon doen.’ Neem, zegt hij, de paarvorming tussen volwassen mensen. ‘Te klagen dat ik slechts eenmaal getrouwd kon zijn was als klagen over het feit dat ik slecht eenmaal geboren was.’ Want juist het verbod, of de wet, maakt het eenmalige, alledaagse, ‘gewone’ onschatbaar, hoe absurd en futiel dat verbod ook lijkt te zijn. ‘De sprookjesfilosoof is blij dat het blad groen is juist omdat het ook paars had kunnen zijn.’ Dit vermogen om perplex te zijn over dat wat ‘nu eenmaal zo  is’, geeft Chesterton het gevoel ‘dat er iets net gebeurd is’.

Ziedaar de merkwaardig concrete, persoonlijke hoeksteen van dit denken. Het herleidt zichzelf tot een gewaarwording, een sensatie. Wie kent het niet, van de jaren kort na de sprookjesleeftijd, de ervaring van wonderbaarlijkheid, die je, inderdaad, misschien wel het best had kunnen vertolken door te zeggen dat het leek alsof de wereld, die je verrukte, ‘net gebeurd was’? Chesterton neemt zulke gewaarwordingen, die volgens hem nooit uitzonderlijk zijn, hoe volmaakt bijzonder ze degene die ze ondergaat ook stemmen, onwaarschijnlijk serieus, en hij kan ze bij anderen (Franciscus, Jeanne d’Arc, Dickens, Dante, George Herbert, maar ook zijn kinderoppas en zijn moeder) aanstekelijk beschrijven. Juist omdat hij in ieders denkwereld het biografische, persoonlijke opspoort, ontstaan zijn ‘bezielde ideeën’. Ook wanner hij wil aantonen hoe ontzielend een denkwijze zal uitpakken, dramatiseert hij de denker tot een heuse persoon. Er bestaan in Chestertons universum eenvoudigweg geen kleurloos denken. Dit is waarom hij de Geest, die hem de bezielde gewaarwordingen schenkt, bemint. En al beminnend bestookt hij de denkers die de kwaliteit om paf te staan hebben doodgerationaliseerd, en de realiteit onttoverd.

Uiteindelijk zijn de wereldbeelden die hij bestrijdt deterministisch; hun uitdenkers denken ons, hoe geniaal ze ook zijn, dor en klein. Zij overtreden het grote gebod dat voor alle denken is afgekondigd te denken dat denken zonder ziel kan. Een filosofie die zich zelf wil los denken van het geopenbaarde geloof zal je tenslotte willen dwingen om te concluderen dat je moet denken wat je denkt. Daarom zal een aanhanger van een materialistisch, wetenschappelijk mensbeeld uiteindelijk zijn eigen gedachten ombrengen: ‘Hij begrijpt alles, en alles lijkt het begrijpen niet waard.’ De ervaring dat  alles net gebeurd is, is daarentegen raadselachtig. Je begrijpt ‘het’ door iets niet te begrijpen. Voor Chesterton is alleen dat ten slotte het begrijpen waard.

Zijn tegenstanders zouden nu niet Nietsche, Shaw en Ibsen zijn, maar aanhangers van het ‘wees blij dat het leven geen zin heeft’, de hedendaagse verzorgingsstaatcolumnisten. Die voeden ons op tot het lauwboenen waarin we zelfs zo sceptisch en weigerachtig worden dat we niet meer kunnen zeggen wanneer we een pasgeconcipeerd mens een mens noemen dan wel een proefkonijn, of een afgetobd mens verzorgenswaard dan wel doodbaar. Ik vraag me af of Chesterton begin eenentwintigste eeuw even monter en goedmoedig geëssayeerd zou hebben als begin twintigste.

De deterministen waren fel tegen het aangeboren gevoel dat iets een moment geleden gebeurd was. In feite, zo meenden zij, ‘was er niets echt gebeurd sinds de aanvang van de wereld’. Zulke denkers, die elkaar na Calvijn steeds frequenter opvolgden, en uiteindelijk de materialisten zijn geworden, de DNA-profeten van ons tijdsgewricht, de reproductiefundamentalisten, hebben ervoor gezorgd dat we de schepping zijn gaan zien als een eindeloze herhaling van steeds dezelfde principes. En iets dat zichzelf blijft herhalen is waarschijnlijk dood, ‘een soort uurwerk’. We zijn in ‘een machinerie van een kosmische gevangenis terecht gekomen, waarvan wij slechts onderdelen zijn’.

En daarmee verdween vrijwel de idee van de ‘mystieke voorwaarde’, waarop de gewaarwording van de pasgebeurde schepping gebaseerd was. Het visioen dat afhing van een veto; de wereld die ook niet zo bedoeld had kunnen zijn; het leven waarin wij vrij zijn om het leven zelf als een wonder op te vatten.

Nogmaals, – overtuigingen als deze overtuigen alleen de reeds overtuigden; de raadselachtigste vrijheid is de vrijheid om niet te geloven. Daarom is Chesterton, ondanks zijn volslagen onvermogen om in theologisch jargon te vervallen, bij uitstek een religieus denker. Hij denkt van binnen uit over geloven. Het is alsof je, kijkend naar een tenniswedstrijd, eindelijk met de bal méé vliegt, en het spel wordt, in plaats van het alleen maar vanaf de tribune te becommentariëren.

Het cirkelt allemaal, als badwater om een losgetrokken stop, om het besef ‘dat er iets persoonlijks is in de wereld, als in een kunstwerk’. We zijn bedoeld, door iets, door iemand, door een Ander. En wat we ook betekenen, ‘we betekenen het op een uitmate hevige manier’.

Intussen was Chesterton ervan overtuigd dat de opkomende denksystemen van zijn tijd, hoe experimenteel nog geformuleerd, bezig waren de mens te verontschuldigen, ook voor het kwaad dat mensen zelf begingen. Dat is, na Chestertons dood in ’36, de uitzonderlijke metafysische kwaliteit van stalinisme en nazisme geworden, waarover Jorge Luis Borges in zijn verhaal ‘Deutsches Requiem’ schrijft: ze waren de vertolkingen van wetenschappelijk beargumenteerde wereldbeelden waarin de geboden beredeneerd geschonden. De nieuwe mens zou een schepsel zonder schuldbesef worden. En dus: zonder bent van de genade van de vergeving.

Je ontkomt er dan ook niet aan: op de bodem van het godsverlangen, ook van een twintigste-eeuwse gelover die omringd werd door relativisme en scepsis, ligt precies dat wat de tijdgeest liefst zou wegredeneren: het schuldbewustzijn. Wie gelooft dat God liefde is, wordt begoocheld door de wetenschap dat er iets, zo niet alles, te vergeven valt. Chesterton geloofde dan ook in nog iets, iets op zijn kop zettends: dat mensen zondig zijn, en dat kunnen beseffen. Hij had ontdekt wat al negentienhonderd jaar geweten werd, en met symbolen en sacramenten omhuld – mensen zijn gevallenen. ‘Er is ergens een wrak, en wij zijn aangespoeld.’

Het besef een gevallene te zijn, die op afstand van zijn oorzaak, zijn Schepper, is komen te staan doortrekt dit hele, merkwaardig blijmoedige boek. ‘Alleen dankzij het raadsel van de zondeval zijn wij voor onszelf begrijpelijk,’ zegt Pascal. Ze hebben volkomen verschillende karakters en humeuren, deze twee grote christenen van het intellect. Maar ze worden beheerst door dezelfde vrees: voor het denken dat zichzelf de nek om denkt. De zelfmoord van de gedachte. De wanhoop van het denken, die de grootste zonde is.

Het is verrukkelijk en uitdagend om al lezende in Chesterton de paradox van het orthodoxe denken aan den lijve te ondergaan: iemand die zich vrij denkt door de binding van het geloof te aanvaarden.

Eerste deel van deze bijdrage ook gelezen? -> Waarom komt u ons hinderen

 


Willem Jan OttenDisclaimer: deze bijdrage van Willem Jan Otten is eerder verschenen als onderdeel van het essayboek ‘Waarom komt U ons hinderen‘ (2006) van uitgeverij Van Oorschot en is met toestemming van de uitgever/auteur overgenomen. Willem Jan Otten is auteur van een veelzijdig oeuvre en heeft verscheidene prijzen voor zijn werk ontvangen.