Een bijdrage van: Wolter Huttinga

Dit artikel is ontstaan naar aanleiding van een lezing over ‘vreemdelingschap’ (2004): vreemdelingschap heeft natuurlijk alleen maar echt wat te betekenen als je ook werkelijk thuis gevoeld hebt op aarde. In dit artikel is gezocht naar een mogelijkheid om trouw te zijn aan de aarde, om recht te doen aan het feit dat wij mensen van de aarde zijn.

Een reis door de schepping met Chesterton

Het lezen van Jan Wolkers vind ik altijd een verademing. Hij beschrijft gewoon lekker de pure werkelijkheid, zonder hem mooier te maken dan hij is. Geen hoogdravende verhalen, gewoon dingen beschrijven. Je ziet echt dat hij een kunstenaar is, een beeldhouwer. Hij zet de dingen neer zoals ze zijn, in hun rauwe lompheid of hun hemeltergende schoonheid. Wat je ook van Wolkers kunt zeggen, één ding is zeker: hij is trouw aan de aarde. Hij staat met beide benen op de grond. In de vakantie las ik weer eens wat van hem en ik dacht: waarom kunnen theologen dat nou nooit? Gewoon de dingen neerzetten zoals ze zijn? Wat een theoloog van een rechtgeaarde heiden als Jan Wolkers kan leren is ongedwongen naar de dingen kijken. Domweg genieten of gruwen. Christenen pretenderen het juiste zicht op de werkelijkheid te hebben, zeg maar als ‘erfgenamen van de aarde’, maar daar merk je vaak weinig van. Want wat is onze positie, onze status als mens nou eigenlijk? Wat is het eerste dat over ons gezegd moet worden, als mensen voor Gods aangezicht? Ben je primair kind van God? Begenadigd zondaar? Of geroepen om heilig voor Gods aangezicht te leven? Zeker, maar laten we bij het begin van het verhaal van God en mens beginnen. Dan zien we dat we in de eerste plaats stof zijn. Stof, uit de aardbodem genomen waar God de levensadem ingeblazen heeft. Je bent uit de aarde genomen en hebt het leven in je omdat God dat hoopje aarde de adem inblies. Er is een plaats waar jij thuishoort en dat is op deze aarde.

Het menszijn heeft iets van een ontdekkingstocht over de aarde. God heeft ons in deze wereld gezet als in een of ander groot park. Net als Adam in zijn oerpark hebben we nog steeds de opdracht om de dingen om ons heen te benoemen. Dat blijft niet alleen bij raam, bed, huis, mensen, maar ook noem je dingen mooi, lelijk, goed, kwaad. Alles in de wereld daagt ons uit om te reageren. Het is alsof God ons door de dingen vraagt: Wat vind je er van? Mooi? Geniet je er van? Of heb je meer de neiging om er bij te huilen? Sta je als optimist of als pessimist in het leven, of iets er tussenin en waarom dan wel?

Leven op deze aarde betekent voor de mens het benoemen en interpreteren van de dingen die je ziet, ruikt, proeft, hoort en voelt. Met de visie die je gaandeweg op het leven krijgt, geef je zo – wellicht onbewust – antwoord aan God. Eindig je met een loflied of een vloek? Geniet je of versmaad je?

Het lijkt me boeiend om in deze tocht een tijd lang met de engelse denker G. K. Chesterton op te trekken, met hem mee te kijken en mee te denken. Hij was zich er meer dan menig ander van bewust dat hij een man van de aarde was. Hij was een echte levensgenieter, een joviale gast, hield van goede maaltijden en een goed glas wijn, wat hem ook aan te zien was, want het was een vrolijke dikzak. Hij was een vooraanstaand journalist en schrijver, leefde van 1874 – 1936. Een uiterst intelligente figuur. Hij was aanvankelijk alles behalve een christen, maar een gewone liberaal denkende agnost, zoals iedereen in zijn tijd. Toch was Chesterton anders. Hij had gedachtenkronkels die dwars op de algemene opinie stonden. Hij drukte zich over dingen uit in de heftigste paradoxen. De meeste mensen lachten daar om, vonden het gewoon sterke grappen. Hij had inzichten die dwars stonden op het denken van zijn tijd. Alle denksystemen van het modernisme vond hij oppervlakkige wereldvisies. Een uiterst aardse visie op de werkelijkheid zoals bijvoorbeeld het materialisme, deed volgens hem juist totaal geen recht aan de aardse werkelijkheid. In een streng materialistische wereldopvatting wordt de wereld toch oneindig veel saaier dan die in werkelijkheid is? En al levend, genietend en denkend kwam Chesterton tot de conclusie: Wat ik als een zuiver rationeel, weldenkend, met beide benen op de grond staand mens aan wereldvisie heb ontwikkeld, is helemaal niet nieuw. Het bestaat al lang. Hij ontdekte dat het christelijk geloof het al die jaren al bij het rechte eind had. Als hij er over schrijft zie je de glimlach om zijn mond: dat uitgerekend hij, die op eigen houtje de wereld wilde duiden, die in zijn denken op een puur atheïstische manier naar waarheid zocht, tot de ontdekking kwam dat hij nota bene de leer van de kerk aan het ontdekken was. Chesterton geeft ook aan dat hij het christelijk geloof langzamerhand is gaan waarderen, juist omdat hij het leven zo waardeerde. Ik heb dan ook nog nooit iets van een christelijke schrijver gelezen dat zo onbekommerd genietend over deze wereld ging. Of het moeten al enkele gedeeltes van A. A. van Ruler zijn.

In het boek ‘orthodoxie’ geeft Chesterton aan, welke inzichten hij opdeed in zijn leven en hoe die inzichten bleken te kloppen met het christelijk geloof. Ik zal enkele thema’s uit dit boek voor u op een rijtje zetten. Oftewel, laten we een ontdekkingstocht over de aarde maken waarbij we de wereld leren zien door de ogen van Chesterton en eens kijken wat we er mee kunnen.

De aarde als sprookjesland

Een belangrijk element in Chestertons denken is zijn rotsvaste geloof in sprookjes. Sprookjes vormen voor hem de basis van zijn kijk op de wereld. Het gaat er niet om, als je ouder wordt, niet meer in sprookjes te geloven, maar om te ontdekken hoe wáár de sprookjes wel niet zijn. Sprookjes gaan zelfs aan de beleefde werkelijkheid vooraf Hij schrijft:

‘Ik kende de magische bonenstaak, voor ik de smaak van bonen kende, ik was zeker van het mannetje in de maan, voordat ik zeker was van de maan.’

De sprookjes leerden hem hoe het leven in elkaar zit, en toen hij ouder werd bevestigden de feiten de waarheid van de sprookjes. Een voorbeeld: Glas is een substantie die heel belangrijk is in veel sprookjes: de ene prinses woont in een glazen paleis, de ander op een glazen heuvel, weer een ander ziet alles in een glazen spiegel. Ze mogen allemaal in glazen huizen wonen, als ze maar niet met stenen gaan gooien. Van jongs af aan is dat ook het idee geweest dat hij van de wereld had: de wereld is van glas, prachtig en met een ijle schittering. Het geluk blinkt, maar is broos. Het leven is zo helder als een diamant, maar zo breekbaar als een vensterruit. Hij heeft altijd de onbestemde angst gehad dat de wereld nog eens met groot gekraak aan stukken gegooid zou kunnen worden.

Wat hem ook altijd voor ogen is blijven staan is de voorwaarde die er in sprookjesland altijd is, het als: ‘je mag in een paleis van goud en saffier wonen, als je niet het woord ‘koe’ zegt, of je mag gelukkig leven met de dochter van de koning, als je haar niet een ui laat zien.’ Een burger van Sprookjesland vraagt uiteraard niet waarom dat dan niet zou mogen. Hij is gehoorzaam aan iets dat hij volstrekt niet begrijpt. De zoon van de molenaar vraagt niet aan de fee waarom hij niet op zijn hoofd mag staan in het sprookjespaleis, want dan zou de fee evengoed kunnen antwoorden: ‘en leg jij dan maar eens uit waar dat sprookjespaleis sowieso vandaan komt.’ Chesterton schrijft:

‘De feeën hebben liever te doen met mensen van het lummelachtige slag zoals ik: mensen die staan te gapen en te grinniken en doen wat hun gezegd wordt.’

Ik herken deze manier van denken helemaal. Waarom ik u zo vaak vermoei met mijn ‘In de ban van de ring-manie’ is omdat ik min of meer tot geloof gekomen ben door dat boek. Ik verzeilde in de wereld van Midden-aarde en kwam tot de ontdekking dat dit mijn wereld was. Waarin goed en kwaad aanwezig zijn, allebei hun aantrekkingskracht hebben, je oproepen tot het nemen van je verantwoordelijkheid en ga zo maar door. Om Chesterton op dit punt samen te vatten: ik geloof, omdat ik in sprookjes geloof.

Verwondering

Het is altijd zo mooi om te zien hoe kinderen die de wereld aan het ontdekken zijn om zich heen kijken. Hoe alles wat ze voor ogen zien, de tuin, het keukengerei, de auto, een duplo-poppetje, even gretig wordt opgenomen en bekeken. Het zijn in feite de beste filosoofjes: ze verwonderen zich over alles wat er is, omdat het er net zo goed niet had kunnen zijn. Maar verrek, het is er. Deze verwondering over de dingen proef je ook bij Chesterton. Hij is wat dat betreft een groot kind. Maar hij verbaast zich er op zijn plaats over dat er mensen zijn die die kinderlijke verwondering niet meer hebben.

Het rationele, logische denken dat het wonderlijke van de werkelijkheid verdringt, daar kan Chesterton zich over opwinden. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af waarom mensen overal in de natuur wetten menen waar te nemen. Het is volgens hem helemaal niet zo voor de hand liggend om bijvoorbeeld tussen een ei en een kuiken een bepaalde noodzakelijke wet te veronderstellen of tussen bloesem en een appel. Het is net zo vreemd als een beer die in een prins verandert.

‘Als begrippen staan het ei en het kuiken verder van elkaar af dan de beer en de prins, want op zich wekt geen ei het idee van een kuiken, terwijl daarentegen sommige prinsen weldegelijk aan beren doen denken.’

Hij pleit voor sprookjesfilosofie. Een boom die bloesem krijgt, waar vervolgens vruchten uit voortkomen, daar is geen wet of noodzakelijkheid aan te verbinden. Er is maar één goede verklaring voor en dat is dat het een toverboom is.

Is hij hiermee geen fantast, een wat sentimentele mystiekeling? Persoonlijk vindt hij een wetenschappelijke visie op de werkelijkheid vooral wat voor sentimentele mystiekelingen, hoewel ze het goed weten te verbergen.

‘Een sentimenteel iemand zou tranen kunnen storten bij de geur van appelbloesem, omdat deze, door een duistere associatie van hemzelf, hem herinnerde aan zijn jongenstijd. Zo is de materialistische professor (ofschoon hij zijn tranen verbergt) toch een sentimenteel iemand, omdat, door een duistere associatie van hemzelf, appelbloesem hem herinnert aan appels.’

Maar hoe zit het dan met de eeuwige herhaling van dingen? Appelbloesem leidt toch altijd tot appels, de zon gaat toch iedere dag weer op en onder, daar zal toch een zekere wetmatigheid in zitten? Dat is dan toch op z’n minst een noodzakelijkheid te noemen? Het antwoord van Chesterton luidt als volgt:

‘Het kon wel eens zijn dat de zon regelmatig opgaat, omdat ze nooit genoeg krijgt van het opgaan. Haar routine kon wel eens toe te schrijven zijn niet aan levenloosheid, maar aan een niet te stuiten stroom van levenskracht. Wat ik bedoel, kan bijvoorbeeld waargenomen worden bij kinderen, wanneer zij een of ander spelletje of grapje treffen, dat bijzonder bij ze in de smaak valt. Zij zeggen dan altijd: ‘Nog een keer, nog een keer’, en de volwassene doet het nog eens, tot hij er haast dood bij neervalt. Want volwassenen zijn niet sterk genoeg om te jubelen over eentonigheid. Maar misschien is God sterk genoeg om te jubelen over eentonigheid. Het is mogelijk, dat God iedere morgen ‘Nog een keer’ zegt tegen de zon en iedere avond ‘Nog een keer’ tegen de maan. Het kan zijn dat Hij de eeuwige gretigheid van de jeugd heeft; want wij hebben gezondigd en zijn oud geworden, maar onze Vader is jonger dan wij.’

Deze kijk op de wereld van Chesterton vind ik fascinerend. Dit mag je bijna niet geloven. Als je het filosofisch uitdrukt, kun je zeggen dat Chesterton een volstrekt contingente visie op de wereld heeft. Alles wat je om je heen ziet, wat er gebeurt wordt zo een verrassing rechtstreeks uit Gods hand, maar niets is noodzakelijk. Het is telkens weer een verrassing dat het gras groen is, het had ook blauw kunnen zijn. De wereld is buitengewoon eigenaardig, maar niettemin aantrekkelijk, zegt Chesterton, Het is moeilijk te zeggen of het aan te bevelen is om zo naar de dingen te kijken, of dat het juist slecht is. Blijkbaar kun je zo tegen de dingen aankijken. Het is helemaal niet zo voor de hand liggend om alles wat je ziet tot systemen, wetten, ordes en noodzakelijkheden te herleiden. De mens als stof uit de aarde is ook helemaal niet in staat om de wereld zo te analyseren. Wat kunnen we eigenlijk anders dan als onbenullige wezens met open mond te staren naar al dat bijzondere om ons heen? Dat is weer eens wat anders dan een doorgeslagen subjectivisme. Niet wij ordenen in ons hoofd de gegevens van de werkelijkheid, zeg maar in de lijn van Descartes of Kant, het is de werkelijkheid die ons commandeert, die ons uitdaagt.

Hoe sta je in de wereld?

Chesterton is bepaalde kerkelijke dogma’s die in de moderne tijd nogal onder vuur zijn komen te liggen juist erg gaan waarderen. Eén daarvan is de erfzonde. Er wordt een appel geplukt, en de hoop op God is uit de wereld verdwenen. Dat zijn nou dingen waar Chesterton in zijn sprookjeswereld absoluut geen moeite mee heeft. Deze kijk op de wereld vindt hij volstrekt logisch. Het Christelijk geloof had met zijn scheppings- en zondeleer precies onder woorden gebracht wat Chesterton altijd al vermoedde: dat je van deze wereld moet leren houden zonder hem te vertrouwen. Een paradox, zoals Chesterton ze zo graag rondstrooit. Hij stelt in zijn boek dan ook de vraag welke vlag er boven de wereld wappert: sommigen zeggen: die van het optimisme, anderen: die van het pessimisme. Volgens Chesterton ben je niet in de positie om optimistisch of pessimistisch te zijn over deze wereld. De mens behoort tot deze wereld, voordat hij begint te vragen of het leuk is om er toe te behoren. Je hebt al gevochten en hebt al overwinningen voor de vlag behaald, lang voordat je in dienst gegaan bent. Hij zegt:

‘De wereld is niet te treurig om hem te beminnen of te blij om hem niet te beminnen, de kwestie is, dat wanneer je nu eenmaal van iets houdt, zijn blijheid een reden is om er van te houden, en zijn treurigheid een reden om er nog meer van te houden.’

Daarom noemt Chesterton zich ‘chauvinist van het heelal’. De wereld is goed dan wel slecht, maar het is mijn wereld. Toch lijkt Chesterton eerder een optimist dan een pessimist. Hij geeft ook aan, dat als hij moest kiezen tussen een van beide, hij zou kiezen voor het optimisme. Maar, zegt hij, een christelijk optimisme over de wereld, is gebaseerd op het feit dat wij niet passen in de wereld.

‘De moderne wijsgeer had mij telkens en telkens weer gezegd, dat ik hier op de goede plaats was, en ik had toch altijd nog een gedruktheid gevoeld, zelfs als ik me daar bij neerlegde. Maar nu had ik gehoord dat ik op de verkeerde plaats was, en mijn ziel zong van vreugde als een vogel in de lente. Nu wist ik, waarom gras mij altijd even raar toegeschenen had als de groene baard van een reus, en waarom ik zelfs thuis heimwee kon hebben’.

Slot

Als je werkelijk in Christus bent, zul je je meer en meer een vreemdeling op deze aarde gaan voelen. Maar die vreemdelingschap heeft natuurlijk alleen maar echt wat te betekenen als je ook werkelijk thuis gevoeld hebt op aarde. In dit artikel heb ik gezocht naar een mogelijkheid om trouw te zijn aan de aarde, om recht te doen aan het feit dat wij mensen van de aarde zijn. Ik heb in dit artikel niet gezocht naar ‘een beter, een hemels vaderland’, maar kom er zelfs bij een levensgenieter als Chesterton toch weer bij uit.

Er is een tijd om de wereld en jezelf te verloochenen als je God werkelijk wilt vinden, en er is een tijd om deze aarde met volle teugen te genieten, omdat dat het hoogste is dat er bestaat. Van dat paradoxale kon Chesterton altijd zo genieten. Het Christendom heeft de extreemste pacifisten voortgebracht, maar ook de grootste bloedbaden aangericht. Met je neus hoog in de wind gestoken, of met je gezicht diep in het stof, maar nooit de gulden middenweg.

Is Chesterton nou een gids die me echt verder helpt bij een ontdekkingstocht over de aarde? Ik legde zijn ‘scheppingsleer’ eens naast die van A. Van de Beek. Toen viel me weer op hoe verschrikkelijk zwaar het denken van Van de Beek eigenlijk is. Ik ergerde me eerst wat aan zijn stijl. Onbekommerd genieten is er niet bij. Meneer de theoloog moet natuurlijk weer de zonde en het lijden centraal stellen. Maar ik moest ook wel toegeven: Ik zit wel aan zijn kant. Dat het lijden zo’n beetje de grond van het bestaan is, tja, wie zou er wat tegenin kunnen brengen?

Maar laten we het tegenvoorstel van Chesterton eens serieus nemen. Misschien maken we theologie wel zwaarder dan het zou moeten, Misschien interpreteren we Jezus ook wel te zwaar, als ‘lijdende Knecht des Heren’. Chesterton zegt over hem, dat Hij het opvallend vindt dat Jezus nooit zijn tranen verborg voor de mensen. Iedereen mocht het zien als hij ontroerd was bij de aanblik van zijn stad. En ook zijn woede verborg hij bepaald niet. Maar er was ook iets dat hij wel verborg. Een zekere schuchterheid als hij mensen ontweek en op de berg ging om te bidden. Er was één zeker iets dat te groot was om te tonen toen God op aarde wandelde. Chesterton vermoedt dat het zijn blijdschap was.

 


Disclaimer: deze bijdrage van Wolter Huttinga is eerder verschenen (2004) onder dezelfde titel en is met toestemming van de auteur overgenomen. De tekst is de basis van een in 2004 gehouden lezing door Wolter Huttinga voor een groep theologiestudenten te Kampen en zou heden ten dage wellicht in andere vorm en opnieuw doordacht zijn. Wolter Huttinga is academicus, journalist en schrijver.