Men denkt wel eens dat God een beetje is uitgeschoten toen hij het universum creëerde; het is zo reusachtig groot en onbevattelijk dat die kleine stip ‘de aarde’ wel onbetekenend moet zijn. Daarnaast zou het zelfs nog kunnen zijn dat er meerdere universums bestaan (hebben). Nu kan grootte op zichzelf geen objectie zijn tegen diens betekenis in waarde. Tenslotte is er geen ouder die denkt dat een kind minder waardevol is dan een volwassene, omdat hij kleiner is. Of denkt hij dat zijn kind in waarde is verminderd op het moment dat hij een zusje kreeg.

Daarnaast is het zo dat ‘grootte’ slechts een kwestie van perspectief is. Wat wij op dit moment vanuit de wetenschap mogen begrijpen is dat het heelal uitdijt. Dat wil zeggen, als je het omkeert, je tot de conclusie moet komen dat het heelal een begin heeft gehad. Ooit is het hele heelal, met alle materie die er bestaat, dan ook zo groot geweest als een sinaasappel. Dat is op zichzelf al onbevattelijk: het totale universum, met alle materie daarin, zo groot als een sinaasappel. Is dat groot? Dat hangt af van het perspectief: voor een mier is het groot, voor een mens handzaam. Voor ieder is het groots.

Voor iemand zonder formaat speelt grootte geen rol. En voor iemand met onbeperkte tijd was die ‘universele sinaasappel’ nog niet eens zo heel lang geleden. Wat een genot moet het zijn om hem te zien worden tot wat het nu is, uitgegroeid tot een rijpe leven brengende vrucht. Ja zelfs gefinetuned voor leven. Je zou er bijna een hele mand (sinaasappelen) van willen hebben. Zelfs al had je er met maar één een doel of kennen ze allen een eigen zin. God is naast kunstenaar ook architect en tuinder. En Vader van ons allen.